5.5.13

VEILIG

Oma zit aan tafel. Haar benige vingers
spelen met de draadjes van het kleed.

Het is oorlog. Ze is in dienst op een kasteel.
Meneer werkt voor het verzet en is veel op pad.
Als ze de geraniums achter de ramen weghaalt
weet meneer dat hij niet binnen moet komen.

De kransen die we vandaag leggen, zijn over
twee weken verkleurd. De bloemblaadjes
die ik op oma's graf liet vallen, zijn vergaan.

Iedere keer als ik over oorlog hoor
zit ik bij oma aan tafel, zet ze
verse bloemen op de vensterbank.